Select one or more of these to search for research publications pertaining to these substances. Select multiple substances by holding the Control key while clicking.
Specify authors to search for.
Specify search keywords.
Specify a date range to search within.

search in publications
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

substances ?
authors ?
keywords ?
date ?
 from
 to

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

CVO - Onderzoek, Training & Advies  .  Montalbaendreef 2, 3562 LC Utrecht  .  T +31 30 2381 495  .  E cvo-info@drugresearch.nl  

nederlandse versie

Zwerven in de 21ste eeuw

D. de Bruin, C. Meijerman, H. Verbraeck, R. Braam, F. Leenders, G. van de Wijngaart

Utrecht: Centrum voor Verslavingsonderzoek, 2003
isbn 90-71772-35-7 . . € 33

order / download full report

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Samenvatting en conclusies Regelmatig verschijnen in de media berichten over op straat levende mensen die zowel een last voor zichzelf als een last voor anderen lijken te zijn. Soms loopt een situatie dermate uit de hand dat noch politie noch hulpverlening een geslaagde uitweg weet te vinden. Politie en geestelijke gezondheidszorg overleggen op diverse niveaus over de noodzakelijke en vooral daadkrachtige samenwerking.
Voor zover er in Nederland onderzoek gedaan is naar dak- en thuislozen, werd meestal een gemeente of een deelgroep onderzocht. Een overzicht van de problematiek bleef tot op heden uit. Deze onderzoeksleemte heeft het CVO-onderzoek opgevuld door in twintig gemeenten bij vijfhonderd dak- en thuislozen een halfgestructureerd interview af te nemen en in 44 gemeenten bij 95 experts telefonische diepte-interviews af te nemen. Daarnaast is in 38 kleine gemeenten een quickscan uitgevoerd. Het onderzoek heeft een explorerend karakter: aard en omvang van de problematiek van dak- en thuislozen in Nederland is in kaart gebracht.
Resultaat hiervan is een genuanceerd beeld van de problematiek van de dak- en thuislozenpopulatie in Nederland. Woon en/ of slaapgedrag, demografie, overlast, ggz-problematiek en middelengebruik van deze groep zijn in dit onderzoek gedetailleerd beschreven.
Opzet en methoden van onderzoek
De vraag die in het onderzoek centraal staat is of het mogelijk is profielen van dak- en thuislozen te schetsen op grond van twee invalshoeken: overlast en geestelijke gezondheids(ggz)-problemen. Onderzocht is hoe de straatpopulatie van dak- en thuislozen zich kenmerkt, in hoeverre is sprake van ggz-problematiek en in hoeverre dak- en thuislozen overlast veroorzaken. Naast dak- en thuislozen zelf zijn experts geïnterviewd over deze onderwerpen. Dit zijn sleutelfiguren die beroepsmatig te maken hebben met ggz-problematiek bij en/of overlast door dak- en thuislozen. Aan hen is eveneens gevraagd hoe zij de omvang van de dak- en thuislozenproblematiek in Nederland inschatten.
In een voorstudie is een literatuurscan uitgevoerd en zijn gesprekken met deskundigen van politie, ggz-instellingen en andere bij dak- en thuisloze betrokken instellingen gevoerd. Op basis hiervan is allereerst bepaald hoe de centrale begrippen uit de probleemstelling op een bruikbare manier gedefinieerd konden worden. Vervolgens zijn de vragenlijsten voor de interviews ontwikkeld. Op basis van testinterviews zijn de gehanteerde definities en operationalisatie van centrale begrippen aangepast en zijn protocollen en draaiboeken ontwikkeld voor de (training van) veldwerkers en interviewers.
De dataverzameling heeft plaatsgevonden in de periode oktober 2001 – oktober 2002. De straatsurvey vond plaats in het voorjaar van 2001.
Definities en begrippen
De probleemstelling van deze studie bevat een drietal begrippen die, zowel in wetenschappelijke studies als bij de respondenten die voor dit onderzoek zijn geïnterviewd, niet op eenduidige wijze worden gedefinieerd. Het gaat hier om de begrippen dak- en thuislozen, overlast en ggz-problemen. Hieronder volgen kort de in dit onderzoek gehanteerde definities en operationalisering van deze begrippen.
Dak- en thuislozen
Bij de ontwikkeling van de vragenlijsten voor de survey en de telefonische enquête is uitgegaan van de volgende definitie van dak- en thuislozen.
Dak- en thuislozen zijn personen die door financieel-economische, sociale en/of psychologische oorzaken en omstandigheden niet in staat zijn een dak of thuis te verwerven of te behouden. Hieronder vallen zowel de buitenslapers als de mensen die, al dan niet tijdelijk, gebruik maken van dag- en nachtopvang. Ook de mensen die, al dan niet tijdelijk, gehuisvest zijn in sociale pensions en projecten voor begeleid en beschermd wonen, mensen die marginaal gehuisvest zijn en dagzwervers vallen onder deze brede definitie van dakloosheid.
In de analyse en rapportage van de resultaten van dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen feitelijk dak- en thuislozen, residentiële dak- en thuislozen en marginaal gehuisvesten. Van feitelijk dakloos wordt gesproken wanneer men buiten, op straat of in de (laagdrempelige) nachtopvang verblijft. Van residentieel dakloos (of thuisloos) wordt gesproken wanneer men vaste bewoner is van een sociaal pension, daklozeninternaat of anderszins over een woonruimte in de Maatschappelijke Opvang beschikt. Van marginaal gehuisvest wordt wel gesproken wanneer de huisvesting geen garantie biedt op langdurig verblijf. Men verblijft bijvoorbeeld in een kraakpand, commercieel pension of caravan of woont in bij familie of vrienden.
Bij de werving van de respondenten voor de straatsurvey is uitgegaan van de persoonlijke visie van de te interviewen persoon over de eigen leefsituatie: als iemand zichzelf als dak- of thuisloos beschouwde kon hij of zij meedoen. In de analyse is vervolgens onderzocht in hoeverre de op deze manier geselecteerde dak- en thuislozen pasten binnen de hierboven weergegeven definitie.
Om te inventariseren welke beelden de experts hebben over dak- en thuislozen, is de respondenten in de telefonische enquête bij aanvang van het interview gevraagd de definitie van dak- en thuislozen te beschrijven die in de betreffende instelling of door de respondent zelf wordt gehanteerd. Om eenduidigheid te verkrijgen in de te verzamelen gegevens, is hen daarna gevraagd de bovengenoemde definitie te gebruiken als richtlijn bij het beantwoorden van de vragen tijdens het interview.
Ggz-problematiek
Het begrip geestelijke gezondheid wordt in de literatuur op vele wijzen geoperationaliseerd. In dit onderzoek gaat het er niet in de eerste plaats om een objectieve diagnose te stellen van de geestelijke gezondheid van dak- en thuislozen. Belangrijker is inzicht te krijgen in de problemen die dak- en thuislozen zelf ervaren en in beelden van experts in de omgeving van dak- en thuislozen over de geestelijke gezondheid van dak- en thuislozen.
Om deze reden is dak- en thuislozen in de straatsurvey gevraagd naar een subjectieve beoordeling van de eigen geestelijke gezondheid op basis van de volgende subjectieve indicatoren.

n een aan zichzelf toegekend ‘rapportcijfer’ voor de eigen geestelijke gezondheid
n zelfrapportage van psychische klachten.

Deze ‘subjectieve maat’ is gebruikt als basis voor de analyse en de constructie van profielen uit de straatsurvey.
De (subjectieve) inschatting van de eigen geestelijke gezondheidstoestand door dak- en thuislozen wordt tevens gerelateerd aan de volgende objectieve indicatoren.
n ggz-indicatie door professionele hulpverleners
n contacten met instellingen voor geestelijke gezondheidszorg (Riagg, psychiatrische crisisdienst, psychiatrische polikliniek, psychiatrische dagbehandeling, psychiatrisch ziekenhuis),

In de telefonische enquête is eerst gevraagd naar de definitie die de experts hanteren. Vervolgens is hen gevraagd de hierboven genoemde objectieve indicatoren als richtlijn te gebruiken bij het beantwoorden van de interviewvragen. De introductie van deze indicatoren dient de vergelijkbaarheid van uitspraken van de respondenten te vergroten. De uitspraken moeten niet gezien worden als objectieve, door deskundigen gestelde diagnoses, zij geven een beeld van de mening van experts over de ggz-problemen van dak- en thuislozen.
Overlast
Een begrip als overlast is moeilijk eenduidig te definiëren. Aan de basis van het onderzoek ligt de volgende definitie, gebaseerd op de definitie van Dirks (1997).
Bij overlast is sprake van handelingen van anderen die als hinderlijk en onaanvaardbaar ervaren worden en waarbij sprake is van schending van privacy, inbreuk op woon- en leefgenot, en waardoor men zich soms ook bedreigd voelt. Het gaat hierbij om gedragingen die niet beantwoorden aan het verwachtingspatroon, waardoor men zich ongewild gedwongen voelt het eigen gedrag aan te passen.
In deze definitie kent overlast zowel een feitelijke component als een verwerkingscomponent, er is met andere woorden sprake van waarneembare handelingen die in de ogen van de een wel als overlast benoemd zullen worden, in de ogen van een ander wellicht niet.
Om een maat te kunnen geven aan de beleving van overlast door derden, wordt in dit onderzoek onderscheid gemaakt tussen objectiveerbare overlast en niet-objectiveerbare overlast. Bij objectiveerbare overlast is sprake van strafbare handelingen. Hieronder vallen zwaardere misdrijven of vergrijpen, maar ook lichtere overtredingen, zoals openbare dronkenschap, het overtreden van een gebiedsverbod. Niet-objectiveerbare vormen van overlast zijn dan bijvoorbeeld het op straat verblijven, samenscholing, in het openbaar drinken of gebruiken. Deze indeling naar objectiveerbaarheid staat overigens los van de gepercipieerde overlast en zegt dus niets over hoe derden bovengenoemde handelingen ervaren.
In de straatsurvey is het aantal respondenten dat het afgelopen jaar vanwege een misdrijf of overtreding in contact is gekomen met de politie of justitie als objectieve indicator gebruikt.
Deze objectieve indicator is vergeleken met een aantal indicatoren voor subjectieve overlast. Ervaren respondenten problemen in het contact met anderen of worden ze lastig gevallen door anderen? Gebruiken respondenten alcohol en/of drugs op straat?
In de telefonische interviews is de experts gevraagd de definitie van overlast te geven die in de betreffende instelling wordt gehanteerd.
Vervolgens is hen gevraagd aan de hand van bovengenoemde subjectieve en objectieve indicatoren de aard van de overlast te beschrijven, zoals die door henzelf en door de omgeving van dak- en thuislozen ervaren wordt. De objectieve indicatoren voor de telefonische interviews zijn hierbij uitgebreid met de meer algemene vraag of mensen een gevaar voor zichzelf of de omgeving vormen. De subjectieve indicatoren zijn uitgebreid met samenscholing, slordig uiterlijk en afwijkend of onaangepast gedrag

Resultaten straatsurvey
Oorzaken dakloosheid
De oorzaken van dakloosheid zijn zeer uiteenlopend. Meest genoemd zijn evenwel problemen die de respondenten ervaren met middelengebruik. Bijna tweederde van de respondenten noemt verslavingsproblematiek als één van de oorzaken van hun dakloosheid.
Wellicht het meest kenmerkend voor de groep respondenten is dat hun problemen zich op meerdere vlakken afspelen: behalve verslavingsproblematiek zijn dat vaak relationele problemen of problemen met de familie. Ook financiële problemen en huurproblemen worden door bijna de helft van de respondenten genoemd als (mede)oorzaak van hun dakloosheid. Voor ongeveer eenderde van de respondenten geldt dat problemen met politie en justitie als (mede) oorzaak van de dakloosheid worden gezien. Eveneens eenderde van de respondenten ziet de eigen psychische problematiek als oorzaak van de dakloosheid. Hoewel veel van genoemde problemen met elkaar samenhangen is opvallend dat dit niet geldt voor psychische problemen en problemen met politie en justitie. Een samenhang tussen ggz-problemen en overlast is met andere woorden niet gevonden.
Verblijfplaatsen
De woonsituatie van de respondenten die aan de periode van dakloosheid voorafging varieert. Een opvallend deel van de dak- en thuislozen (37%) woonde alleen voordat men dak- en thuisloos werd. Een kleiner deel (11%) woonde in een kraakpand of studentenhuis, een deel woonde samen al dan niet met kinderen, een nog kleiner deel (10%) woonde bij de ouders. De overigen kwamen uit een tehuis of internaat, uit een psychiatrische instelling of uit de gevangenis. De achtergrond van de respondenten is met andere woorden zeer divers.
Het aantal respondenten dat direct na ontslag uit een psychiatrische instellingen op straat is belandde is gering. Het betrof in totaal drie procent van de respondenten. Overigens heeft een relatief groot deel van de respondenten een institutionele psychiatrische achtergrond. Bijna een kwart van de respondenten is ooit in een psychiatrisch ziekenhuis behandeld.
Grote variatie bij de respondenten is tevens gevonden wanneer de duur van de dakloosheid in ogenschouw wordt genomen. Sommigen leven pas korte tijd op straat, maar er zijn er ook die al een halve eeuw als dak- en thuisloos te boek staan. Gemiddeld zijn de respondenten zes jaar dakloos, tien procent is al langer dan vijftien jaar dakloos.
Ook de slaapplekken van de respondenten verschillen sterk. Er is maar een klein deel van de respondenten dat over slechts één slaapplek beschikt. Kenmerkender voor de meeste respondenten is dat zij van verschillende slaapplekken gebruik maken. De feitelijk daklozen hebben gemiddeld drie verschillende plekken waar de nacht wordt doorgebracht (bijvoorbeeld buiten, in de nachtopvang, maar ook wel bij familie of vrienden).
Bijna de helft (43%) van de respondenten sliep de afgelopen maand nog buiten. Tien procent van de respondenten sliep de afgelopen maand uitsluitend buiten.
Een groot deel van de respondenten (72%) sliep de afgelopen maand tenminste een nacht in de nachtopvang. Andere locaties waar respondenten de nacht doorbrengen zijn: bij vrienden (44%), het politiebureau (27%) en bij familie (17%).
Dertien procent van de respondenten maakte de afgelopen maand gebruik van nachtopvang in andere gemeenten en zou als ‘cityhopper’ beschouwd kunnen worden.
Feitelijk dakloos
Niet alle respondenten kunnen worden bestempeld als feitelijk dakloos in de zin dat zij buiten, op straat of in de (laagdrempelige) nachtopvang verblijven. Een klein deel van de respondenten zou als residentieel dakloos (14%) kunnen worden beschouwd. Zij zijn vaste bewoner van een sociaal pension, daklozeninternaat of beschikken anderszins over woonruimte in de Maatschappelijke Opvang. Daarnaast is er een groep respondenten (11%) die als marginaal gehuisvest zou kunnen worden beschouwd. Zij beschikken weliswaar over een eigen woonruimte maar deze biedt geen uitzicht op een langdurig verblijf. Hoewel deze groep zichzelf als dakloos ziet, slapen zij niet op straat of in de nachtopvang.
Van de feitelijk daklozen (75% van de respondenten) brengt een groot deel (61%) de nachten (soms of uitsluitend) op straat door. De overigen slapen (onder meer) in de laagdrempelige nachtopvang.
Over het algemeen zijn de residentiële daklozen in dit onderzoek ouder en vaker van autochtone afkomst dan de feitelijk daklozen. Het alcohol- en druggebruik ligt onder de residentiële daklozen lager dan onder de feitelijk daklozen.
Demografie
In de steekproef zijn relatief weinig vrouwelijke zwervers aangetroffen: dertien procent. Blijkbaar zijn zij beter in staat een woonruimte te vinden en te behouden dan mannen. De vrouwen die we tegen zijn gekomen zijn gemiddeld iets jonger dan de mannen, respectievelijk 37 en 39 jaar. Op basis van een vergelijking met eerder onderzoek en uit registraties van de Maatschappelijke Opvang zou geconcludeerd kunnen worden dat het aandeel vrouwen dat op straat leeft in de loop der jaren is toegenomen.
Hoewel in de straatsurvey relatief weinig zwerfjongeren onder de 23 jaar zijn aangetroffen (5%), geeft een veel groter deel van de respondenten (29%) te kennen al voor het 23e levensjaar voor het eerst dakloos te zijn geworden. Tien procent van de respondenten gaf in het interview te kennen als minderjarige voor het eerst dakloos te zijn geworden. Opvallend in dit verband is het relatief grote aantal respondenten met een internaatverleden. Ruim een kwart verbleef ooit enige tijd in een tehuis of internaat. Daarmee samenhangend is het relatief grote aantal respondenten (44%) dat al voor het achttiende levensjaar in contact is gekomen met politie en justitie.
Het grootste deel van de respondenten (70%) is nooit getrouwd geweest, 24 procent is gescheiden, vier procent is getrouwd of woont samen, twee procent is weduwe of weduwnaar. Bijna de helft van de respondenten heeft kinderen, waar de respondenten in de helft van de gevallen nog contact mee hebben. Een meerderheid van de respondenten (60%) heeft nog contacten met de directe familie (ouders, broers of zussen).
Vier op de tien dak- en thuislozen zijn van allochtone afkomst. Zij houden zich voornamelijk op in de grote steden. In de vier grote steden is meer dan de helft van de geïnterviewde respondenten van allochtone afkomst, voor de kleinere steden ligt dit gemiddeld op 28 procent.
De respondenten zijn over het algemeen laag opgeleid: bijna eenderde van de respondenten heeft nooit een diploma in het voortgezet onderwijs behaald. Twaalf procent is nooit aan een voortgezette opleiding begonnen. Drie procent heeft de lagere school niet afgemaakt. Kenmerkend voor veel respondenten is dat zij een eenmaal begonnen opleiding hebben afgebroken: ongeveer de helft van de respondenten die een voortgezette opleiding is begonnen heeft die vroegtijdig afgebroken.
De meeste respondenten (76%) hebben een uitkering. De overigen hebben betaald werk, verkopen het straatnieuws, verrichten criminele handelingen of een combinatie daarvan. Bijna één op tien respondenten (9%) zegt over geen van bovengenoemde bronnen van inkomsten te beschikken.
Geestelijke gezondheid
Een centraal onderwerp in dit onderzoek is de geestelijke gezondheidsproblematiek van dak- en thuislozen. Ongeveer de helft van hen ervaart geestelijke gezondheidsproblemen, zij geven zichzelf althans een onvoldoende voor hun geestelijke gezondheidstoestand of rapporteren (ernstige) psychische klachten.
Een op de drie respondenten (35%) is ooit in behandeling geweest bij een ggz-instelling.
Het bereik van de ggz-hulpverlening onder dak- en thuislozen is groot. Tachtig procent van de respondenten die met psychische problemen kampt is ooit bij een ggz-instelling in behandeling geweest. De waardering die de respondenten hebben voor de hulp die ze bij de diverse ggz-instellingen hebben ontvangen varieert nogal. De dagbehandeling werd het best gewaardeerd: 75 procent was althans niet ontevreden over dit contact. Ook de respondenten die ooit bij een psychiatrische polikliniek terechtkwamen waardeerden dit over het algemeen positief, 65 procent was er niet ontevreden over. Eenderde echter wel. De psychiatrische ziekenhuizen, Riaggs en RIBW’s werden minder positief beoordeeld. Ongeveer de helft van de respondenten was ontevreden over het contact of het verblijf aldaar. Veel gehoorde argumenten voor deze ontevredenheid zijn dat praten niets oplost, dat medicatie wordt opgedrongen, dat men vaak andere (meerdere) problemen heeft waar niets mee gedaan werd, dat men van het kastje naar de muur werd gestuurd, of dat de problemen niet werden begrepen of onderkend.
Van de respondenten met psychische klachten die nooit bij een ggz-instellingen zijn geweest (18% van het totaal aantal respondenten) geeft eenderde te kennen wel behoefte aan een vorm van ggz-hulp te hebben.
Ook het bereik van de verslavingszorg ligt hoog. Van de dak- en thuisloze druggebruikers is viervijfde (79%) ooit bij de verslavingszorg terechtgekomen. De waardering voor de verslavingszorg is eveneens hoog: driekwart van de respondenten die hier ooit gebruik van maakte was niet ontevreden over dit contact.
Ongeveer een kwart van de druggebruikers die nooit bij de drughulpverlening terecht is gekomen geeft aan hier wel behoefte aan te hebben.
Alcohol en andere drugs
Een groot deel (71%) van de geïnterviewde straatpopulatie gebruikt overmatig alcohol en/of andere drugs. Drie van de tien respondenten gebruikt met andere woorden noch harddrugs, noch overmatig alcohol. Meer dan de helft van de respondenten gebruikt harddrugs (54%), waarvan een aanzienlijk deel ook als risicodrinker kan worden beschouwd. Tot slot is er de groep die uitsluitend overmatig alcohol gebruikt maar geen harddrugs gebruikt. Deze laatste groep zou als de traditionele ‘alcoholist’ beschouwd kunnen worden. Opmerkelijk is dat de gemiddelde leeftijd van deze groep risicodrinkers beduidend hoger ligt dan die van de andere groepen. De risicodrinkers die geen harddrugs gebruiken zijn gemiddeld 43 jaar terwijl de gemiddelde leeftijd voor de andere groepen rond de 38 ligt.


Meer dan de helft (56%) van deze groep gebruikers kampt met psychische problemen en heeft een ‘dubbele diagnose’. In totaal maakt deze double trouble groep veertig procent van alle respondenten uit.
Daarnaast is er een groep gebruikers die geen psychische problemen ervaart (30%) en twee aanzienlijk kleinere groepen niet-gebruikende dak- en thuislozen: een groep die niet gebruikt maar wel psychische problemen heeft (12%) en een groep die niet gebruikt en evenmin psychische problemen kent (18%). Eén op de vijf respondenten heeft met andere woorden noch psychische problemen, noch problemen met alcohol of andere drugs
Overlast
Een ander centraal onderwerp in dit onderzoek is overlast. Er is gekozen om objectieve overlast als uitgangspunt voor de analyses te gebruiken. Zo is 58 procent van de respondenten het afgelopen jaar vanwege een misdrijf of overtreding in contact gekomen met politie of justitie en heeft een aanzienlijk deel van de respondenten (60%) ooit een gevangenisstraf uitgezeten.
Behalve deze ‘objectieve overlast’ veroorzaken dak- en thuislozen ook ‘subjectieve’ overlast. Meer dan de helft van de respondenten (57%) geeft bijvoorbeeld aan op straat te drinken of op straat drugs te gebruiken.
Andersom is het opvallend dat dak- en thuislozen ook zelf lastig gevallen worden door anderen: door de politie vindt veertig procent, door andere dak- en thuislozen (25%), door passanten (24%) door winkeliers (16%) of door andere burgers (11%). Bijna tweederde van de respondenten is wel eens bestolen of mishandeld.

Profielen van dak- en thuislozen
Overlast in relatie tot ggz
De begrippen ggz-indicatie en overlast zijn gedefinieerd op grond van de (subjectieve) inschatting van de eigen geestelijke gezondheid en de contacten die de respondent het afgelopen jaar vanwege een overtreding of misdrijf met politie heeft gehad. Op grond hiervan zijn vier profielen geconstrueerd.

Geen ggz Wel ggz
Geen overlast Profiel A: 23% Profiel B: 19%
Wel overlast Profiel C: 27% Profiel D: 31%

De grootste groep (groep D: 31%) bestaat uit respondenten die zowel overlast veroorzaken als ggz-problemen hebben. Een kwart van de respondenten had het afgelopen jaar contact met de reclassering. Kenmerkend voor deze groep is verder het grote aantal druggebruikers dat op straat gebruikt, ruim tweederde van de druggebruikers gebruikt op straat. Een relatief groot deel (40%) verricht illegale handelingen. Wellicht dat een deel van deze groep het best kan worden vergeleken met EPD-ers (Extreem Problematische Druggebruikers), een groep waar behalve in de media ook in beleidsmatige zin vaak veel aandacht voor is.
De volgende groep (groep C: 27%) bestaat uit respondenten die weliswaar overlast veroorzaken maar geen ggz-problematiek kennen. Het is de groep die het meest en het vaakst buiten slaapt maar ook het meest frequent contact met het maatschappelijk werk onderhoudt. De dak- en thuislozen uit groep C hebben bovendien de meest frequente contacten met politie en justitie (en veroorzaken met andere woorden de meeste overlast).
De twee andere groepen (A: 23% en B: 19%) zijn iets kleiner. In groep A bevinden zich de respondenten die noch overlast veroorzaken noch ggz-geïndiceerd zijn. Zij hebben meer dan de anderen een dagritme, verrichten het minst vaak illegale activiteiten, gebruiken minder vaak drugs en als ze gebruiken doen ze dat minder vaak op straat. Ook het problematische alcoholgebruik ligt in deze groep het laagst.
Groep B is de groep de geen overlast veroorzaakt maar wel met psychische problemen kampt. Behalve door het aanwezig zijn van deze klachten en het ontbreken van contacten met politie wordt deze groep gekenmerkt door minder gebruik (net als bij groep A) van alcohol en andere drugs. Toch komt verslavingsproblematiek in deze groep wel voor. Dit heeft het afgelopen jaar echter niet tot problemen met politie en justitie geleid.
Opvallend in deze typologie is dat verslavingsproblematiek weliswaar een samenhang vertoont met overlast, maar dat het één niet per definitie tot het ander leidt. Er is met andere woorden ook een groep probleemdrinkers en druggebruikers die géén overlast veroorzaakt.
Verslavingsproblematiek staat evenmin synoniem voor het hebben van (andere) psychische klachten. Druggebruikers rapporteren weliswaar meer psychische klachten dan niet-gebruikers en risicodrinkers, maar er is een grotere groep druggebruikers die geen psychische klachten rapporteert (en zichzelf een ruime voldoende voor een geestelijke gezondheid geven).

Zoals gezegd is voor de analyses in de straatsurvey gekozen voor een objectieve overlastindicator (laatste jaar vanwege een misdrijf of overtreding contact met politie of justitie) en een subjectieve ggz-indicator (een laag rapportcijfer en/of bepaalde psychische klachten). Indien de objectieve overlastindicator wordt uitgebreid met een meer subjectieve component, namelijk het op straat drinken en/ of gebruiken van alcohol en drugs neemt het aantal dak- en thuislozen dat overlast veroorzaakt toe. Als ook de subjectieve ggz-indicator (psychische klachten of een onvoldoende voor de geestelijke gezondheid) voor wordt verbreed met een objectieve indicator (het laatste jaar in contact met een ggz-instelling) neemt ook het aantal dak- en thuislozen met ggz-problematiek toe. Opvallend is dat dan meer respondenten in profiel D terecht komen. En dat dit ten koste gaat van het aantal respondenten in zowel profiel A als B. Het relatieve aantal respondenten in groep C blijft hetzelfde (27%).

Geen ggz Wel ggz
Geen overlast Groep A12% - 23% Groep B15% - 19%
Wel overlast Groep C27% - 27% Groep D31% - 46%
Matrix 1 Verhouding van het aantal respondenten in de vier groepen van de matrix ggz/overlast (in %).

De meest belangrijke conclusie die op basis van bovenstaande tabel en de andere genoemde analyses getrokken kan worden is dat geen significante samenhang is gevonden tussen ggz-problematiek en het veroorzaken van overlast. Het is met andere woorden niet zo dat dak- en thuislozen met psychische problemen of een psychiatrische achtergrond vaker of meer overlast veroorzaken dan dak- en thuislozen zonder deze problemen.

Telefonische interviews experts
In de telefonische interviews stond de problematiek van dak- en thuislozen centraal, bezien door de ogen van experts. In dit onderzoek zijn de 95 experts verdeeld in vier groepen: medewerkers van de politie, ggz-instellingen, maatschappelijke opvang en een groep overig (hierbinnen vallen medewerkers van de gemeente, GGD, straathoekwerkers).
Uit de gehouden interviews blijkt dat de vier groepen experts met verschillende groepen dak- en thuislozen in aanraking komen. Medewerkers van de politie hebben vooral zicht op de ‘straatpopulatie’ (deze bestaat voor het grootste deel uit feitelijk daklozen). Medewerkers van de Maatschappelijke Opvang zien meer residentiële daklozen. Medewerkers van de ggz zien van beide groepen een deel, maar dan met name het deel dat ggz-problematiek heeft en/of marginaal gehuisvest is.
De respondenten noemden naast de hierboven beschreven groepen dak- en thuislozen nog andere groepen, waarvan zij weliswaar het bestaan onderkennen, maar waarover zij qua problematiek en aantallen niet veel kunnen vertellen: het gaat hier vooral om illegalen, vrouwen en een groep die vaak werd aangeduid als zorgmijders. Deze laatste groep wordt door de experts gezien als moeilijk bereikbare groep die hoog op de prioriteitenlijst van hulpverleners zou moeten staan. Zij veroorzaken weinig overlast, maar hebben door hun ggz-problemen een zeer zwakke positie in de samenleving. Uit de gegevens van de straatsurvey kan worden opgemaakt dat de groep zorgmijders wellicht kleiner is dan wel wordt verondersteld: hieruit blijkt bijvoorbeeld dat het merendeel van de respondenten (93%) de afgelopen maand contact heeft gehad met een zorg- of hulpverleningsinstantie. Uit de gegevens blijkt echter ook dat 20% van de mensen met psychische problemen nooit contact heeft gehad met een ggz-instelling.
Opvattingen over ggz, overlast en de combinatie ggz–overlast
Bij het benoemen van ggz-problematiek van dak- en thuislozen onderscheiden de medewerkers van de politie verschillende psychiatrische ziektebeelden, maar zijn zij minder specifiek in hun omschrijving dan de andere groepen respondenten. De experts refereren aan het hele scala van psychiatrische ziektebeelden.
Geen van de medewerkers van de politie beschrijft middelengebruik of verslaving als ggz-problematiek. De experts uit de andere respondentgroepen doen dit wel: zij onderscheiden bijvoorbeeld ‘schizofrenie gecombineerd met middelenmisbruik’, double trouble klanten’, ‘intoxicatie door drugs’ en ‘drugspsychose’. Wat daarbij oorzaak en gevolg zou kunnen zijn, wordt door het merendeel van de experts in het midden gelaten. Enkelen zien ggz-problematiek als oorzaak van druggebruik, enkele anderen zien de causale relatie andersom.
Opvallend is dat alle experts gedragingen of ziektebeelden beschrijven die gerelateerd zijn aan ‘objectieve’ indicaties. Subjectieve begrippen zoals ‘zich ongelukkig voelen’, ‘ontevredenheid’ of ‘somberheid’ worden in de beschrijving van ggz-problematiek niet genoemd. Een verklaring hiervoor kan zijn dat de objectieve en veelal ernstige indicaties meer in het zicht zijn van de experts en belangrijker gevonden worden.
Uit de interviews wordt niet duidelijk of bepaalde vormen van ggz-problematiek onder dak- en thuislozen meer voorkomen dan bij niet-dak- en thuislozen.

Het overgrote deel van de experts uit de vier de respondentgroepen geeft aan dat zij wel eens te maken hebben met dak- en thuislozen die overlast veroorzaken. Vormen van overlast die door de experts onder meer genoemd worden zijn: samenscholing, slordig uiterlijk, onaangepast of afwijkend gedrag, vervuiling, op straat of in tuinen de behoefte doen, ramen ingooien, dreigen, agressie, onderlinge ruzie of mishandeling. Diverse experts plaatsen hierbij de kanttekening dat het vooral de burgers in de omgeving van dak- en thuislozen zijn die alleen al het gedrag of de aanwezigheid als overlast ervaren.
Op mishandeling na, werden geen vormen van overlast genoemd die duiden op zware delicten. In verhouding zijn minder objectiveerbare overlastvormen genoemd dan niet-objectiveerbare overlastvormen. De meest genoemde overlastvormen van de laatste categorie zijn: schreeuwen, lawaai maken, op straat slapen en openbaar drankgebruik.
Verschillende medewerkers van de politie geven aan dat het hen niet uitmaakt hoe dak- en thuislozen eruit zien of hoe zij zich gedragen. Wanneer iemand echter een overlastmelding doet, wordt de politie wel geacht iets te ondernemen. De aanwezigheid van dak- en thuislozen roept bij experts van de politie eerder gevoelens van machteloosheid dan irritatie op: het reageren op overlastmeldingen kost hen veel tijd, zonder dat er een structurele oplossing gezocht wordt.
Op het snijvlak van overlast en ggz: de crisisdienst
Hierboven is aangegeven dat personen die op straat in een psychiatrische crisis verkeren naar aanleiding van een confrontatie of een melding van burgers of instanties in contact kunnen komen met de politie. De oorzaak, aard en uitingsvorm van crisis kan volgens de experts sterk variëren. Er kan onder meer sprake zijn van psychotisch, agressief of suïcidaal gedrag.
Uit de interviews met de experts kwam naar voren dat de procedures voor het omgaan met mensen in een crisis per gemeente verschilt. De meest gangbare procedure is dat de politie in zo’n geval de mensen die in een geestelijke crisis verkeren ofwel onder kan brengen in de daartoe aangewezen instanties of hen kan meenemen naar het politiebureau. Buiten kantooruren rest alleen de laatste optie.
In een aantal gemeenten is het gebruikelijk dat mensen die in een crisis meegenomen worden naar het politiebureau, eerst door een ‘forensisch arts’ van de GGD beoordeeld worden. Wanneer deze van mening is dat aan de crisis ggz-problematiek ten grondslag ligt, wordt een ‘voorwacht’ (sociaal verpleegkundige) van de crisisdienst ingeschakeld.
Het verloop van bemiddeling en beoordeling van een persoon in crisis verloopt volgens de respondenten bij dak- en thuislozen in principe niet anders dan bij anderen. Een groot verschil is echter dat, wanneer de voorwacht die een beoordeling op het politiebureau doet opname niet noodzakelijk acht, de dak- en thuisloze ‘de straat weer opgestuurd wordt’. De meeste respondenten vinden dit laatste niet in belang van de dak- en thuisloze: al hoort betreffende dak- en thuisloze misschien niet thuis in een psychiatrische inrichting, terug naar de straat is zeker geen oplossing voor zijn of haar problemen.
Over de samenwerking op persoonlijk vlak tussen de politie en de crisisdienst zijn beide partijen in het algemeen wel tevreden. Wel wordt kritiek geuit op de organisatie van het beoordelingsproces. Medewerkers van de politie vinden dat zij niet over de juiste vaardigheden beschikken om mensen in een crisis te begeleiden of op te vangen en vinden dat het te lang duurt voordat de crisisdienst aanwezig is . Medewerkers van de GGZ–crisisdienst melden dat er soms onbegrip bestaat omtrent de beoordeling. De laatste groep wijt dit eerder aan een gebrek aan inzicht bij de medewerkers van de politie in de beoordelingsprocedure dan aan de kwaliteit van de beoordeling.
Aard en frequentie van overlast en ggz-contacten volgens politiefunctionarissen
Slechts zeventien van de 54 medewerkers van de politie konden aantallen geven met betrekking tot specifieke informatie over ggz-problematiek en overlast.
Uit de interviews met experts van de politie blijkt dat in de grotere gemeenten een verhoudingsgewijs grotere groep overlastveroorzakende dak- en thuislozen is dan in de kleinere gemeenten. Een verklaring die een van de experts hiervoor geeft is dat de politie in de grote steden alleen de overlastveroorzakende dak- en thuislozen ziet en de anderen aan hun aandacht ontsnappen.
Opvallend is dat de cijfers van het aantal dak- en thuislozen met ggz-problematiek in verhouding tot de totale populatie waarmee de politie in aanraking komt, sterk wisselt wanneer een vergelijking naar gemeentegrootte wordt gemaakt. In de kleinere gemeenten heeft ongeveer een derde van de dak- en thuislozen met wie de politie in aanraking komt ggz-problematiek, in de grote steden is dit percentage veel lager (6%). Volgens enkele experts is dit te verklaren doordat de politie in de kleinere gemeenten meer zicht heeft op de individuen en hun achterliggende problematiek (en het dus kan benoemen), anderen menen dat in de grotere steden de drugsproblematiek de ggz-problematiek overschaduwt.
Medewerkers van de politie ondernemen de volgende activiteiten naar aanleiding van overlastmeldingen van burgers: wegsturen van dak- en thuislozen van hang- of verzamelplekken, uitdelen van boetes, meenemen naar het bureau, insluiting in een politiecel. Deze ‘maatregelen’ zijn in de ogen van de experts niet altijd in de eerste plaats bedoeld ter bestrijding van overlast, maar om het belang van de dak- en thuisloze zelf te dienen. Dak- en thuislozen worden zo even van de straat te gehouden, of krijgen een bed, voedsel, een bad of schone kleren.
Uit de interviews met de politie blijkt dat het contact zich meestal centreert rondom disciplinaire maatregelen, maar dat de insteek daarvan zowel door politie als door de dak- en thuislozen zelf niet altijd als negatief wordt gezien. Een vergelijkbaar beeld blijkt uit de straatsurvey. Van de dak- en thuislozen die het afgelopen jaar contact hadden met de politie, ervoer 41 procent geen problemen in dit contact, 59 procent wel.
De meeste experts zien de oorzaak van de problemen van dak- en thuislozen als een cumulatie van problemen die deels te maken hebben met individuele factoren (zoals middelengebruik, ggz-problematiek en financiële en sociale problemen), deels met maatschappelijke factoren (zoals een slecht samenwerkend hulpverleningscircuit en een gebrek aan maatschappelijke opvang). Dit beeld sluit redelijk aan bij de resultaten uit de straatsurvey.
Veel van de experts die geïnterviewd zijn, zijn betrokken bij commissies waar deskundigen uit verschillende disciplines zich buigen over de problematiek van dak- en thuislozen. Zonder uitzondering zijn de experts het eens over de noodzaak van dergelijke initiatieven. De problematiek van dak- en thuislozen is volgens de meeste experts zo gecompliceerd en divers, dat een zeer persoonlijke aanpak noodzakelijk is. Dit is echter ook binnen de nieuwe samenwerkingsvormen nog maar zeer mondjesmaat het geval: veel energie lijkt verloren te gaan in het samenwerkingsproces tussen de betrokken instellingen en het overbruggen van de communicatiekloof tussen deze instellingen.

Expertprofielen
De experts is gevraagd dak- en thuislozen met wie zij in aanraking komen te verdelen over de vier cellen van de hierboven weergegeven matrix. Binnen deze cellen zijn door de experts subgroepen of profielen onderscheiden, gekoppeld aan aantallen personen per profiel. Driekwart van de experts heeft op deze manier profielen onderscheiden. In de onderstaande tabel zijn deze verhoudingen tussen de cellen weergegeven.

Geen ggz Wel ggz
Geen overlast Groep A: 14% Groep B: 19%
Wel overlast Groep C: 19% Groep D: 48%

Uit de tabel kan worden opgemaakt dat de experts in verhouding weinig dak- en thuislozen in de cel ‘geen overlast, geen ggz’ plaatsen. De groep dak- en thuislozen die overlast veroorzaakt en ggz-problematiek heeft, is in hun ogen het grootst. Dit hoeft niet in te houden dat er in werkelijkheid ook meer dak- en thuislozen zijn die zowel overlast als ggz-problematiek hebben. Het kan ook een gevolg zijn van het feit dat de experts voor dit onderzoek geselecteerd zijn op basis van hun ervaring met ggz-problematiek en overlast van dak- en thuislozen. Hierdoor hebben de experts het meest te maken met de groepen B, C en D en het minst met groep A. Bij de interpretatie van de tabel moet rekening gehouden worden met het feit dat medewerkers van de politie in de steekproef oververtegenwoordigd zijn in vergelijking met de andere drie respondentgroepen. Wanneer deze oververtegenwoordiging gecorrigeerd wordt zien we dat de overlastgroepen C en D kleiner worden, het relatieve aantal blijft evenwel in cel D het grootst.

De ‘druggebruikers’ en ‘alcoholgebruikers’ komen in alle vier de cellen voor, maar worden in de vierde cel het meest frequent genoemd en in cel A het minst frequent. Volgens een aantal respondenten is een belangrijk deel van de overlast die dak- en thuislozen veroorzaken een direct gevolg van middelengebruik. Dit zou een mogelijke verklaring kunnen zijn voor het verschil tussen profiel A en D. Dergelijke conclusies kunnen echter niet direct uit het hier verzamelde materiaal getrokken worden: het verschil kan ook veroorzaakt worden door eerder genoemde factoren als: het buiten beeld blijven van bepaalde groepen.
Verschillen tussen respondentgroepen
Wanneer de verhoudingen die de verschillende respondentgroepen noemen met elkaar vergeleken worden, valt op dat de medewerkers van de politie in verhouding tot de andere respondentgroepen meer dak- en thuislozen in het profiel C plaatsen: wel overlast, geen ggz-problematiek.
Medewerkers van de maatschappelijke opvang en van de ggz-instellingen zien in verhouding meer dak- en thuislozen met ggz-problematiek (profiel B).
Voor een deel zou het ook te verklaren zijn door het gegeven dat medewerkers van de politie drugsverslaving niet direct als een vorm van ggz-problematiek zien

Volgens experts van politie heeft ruim de helft van de overlastveroorzakende dak- en thuislozen ggz-problematiek, experts van de MO en ggz menen dat dit bij bijna de gehele groep het geval is.
Wanneer gekeken wordt naar de percentages dak- en thuislozen met ggz-problematiek zien we een omgekeerde tendens: volgens de politie veroorzaakt een groot deel van de dak- en thuislozen die ggz-problematiek hebben ook overlast, volgens experts van de MO en ggz is dit voor ongeveer de helft van de populatie van toepassing.

Hoewel de verschillen in deze verhoudingen ook verklaard kunnen worden uit het al dan niet in beeld zijn van groepen en opvatting over het ggz-gerelateerde karakter van verslaving, is dit toch een interessant gegeven, aangezien het een idee geeft van de beeldvorming van de experts over de dak- en thuislozen in hun omgeving.
De experts van MO en ggz-instellingen menen dat de meeste overlastveroorzakers waarover zij een uitspraak doen ggz- problemen hebben. Doordat zij vooral in aanraking komen met dak- en thuislozen met ggz-problematiek, zullen zij geneigd zijn te denken dat alle dak- en thuislozen die overlast veroorzaken, ook psychische problemen hebben.
De experts van de politie menen daarentegen dat de meeste dak- en thuislozen met ggz-problematiek waarover zij een uitspraak doen overlast veroorzaken (voor henzelf of voor de burgers). Doordat de politie vooral in aanraking komt met overlastveroorzakende dak- en thuislozen kunnen zij dus geneigd zijn te denken dat dak- en thuislozen die ggz-problematiek hebben ook overlast veroorzaken.
Invloed gemeentegrootte
De invloed van gemeentegrootte op de verhoudingen van de cellen die ingevuld zijn door de experts van de politie is nader onderzocht. Hieruit blijkt dat de groepen die geen overlast veroorzaken in de twee grote steden niet in beeld zijn. De medewerkers van de politie aldaar geven aan dat de dak- en thuislozen waar zij mee in aanraking komen overlast veroorzaken en dat zij geen zicht hebben op de groep dak- en thuislozen die geen overlast veroorzaken. Een ander opvallend gegeven is dat behalve in de twee grote steden ook in de middelgrote gemeenten met 50.000 – 100.000 inwoners in verhouding meer overlast in combinatie met ggz-problematiek wordt geconstateerd dan in de andere gemeenten.
Vergelijking profielen uit de straatsurvey
In de tabel hieronder wordt de matrix ggz-overlast opnieuw weergegeven, nu vergezeld van de percentages die in hoofdstuk vier op basis van de straatsurvey zijn gevonden.
Bij de percentages van experts is eerst de range gegeven, waarbij de ondergrens gevormd wordt door het percentage van de respondentgroep die de omvang van die cel het laagst inschatte, de bovengrens wordt gevormd door het percentage van de respondentgroep die de omvang het grootst inschatte. Na deze range is (tussen haakjes) het gemiddelde percentage van die cel vermeld. Om de gegevens van de straatsurvey te kunnen vergelijken met die van de experts, zijn voor de eerstgenoemde dataverzameling de definities voor overlast en ggz verbreed, door evenals bij de experts voor beide begrippen zowel uit te gaan van subjectieve als objectieve indicatoren. Bij de percentages van de straatsurvey is de range geconstrueerd door zowel voor smallere en bredere definities van ggz en overlast de percentages per cel te berekenen. Achter de range is het percentage vermeld dat gebaseerd is op de breedste (best met de experts vergelijkbare) definities van overlast en ggz.

Geen GGZ Wel GGZ
Geen overlast PROFIEL AExperts: 7% – 25% (14%)Straatsurvey: 12% – 23% (12%) PROFIEL BExperts: 6% – 44% (19%)Straatsurvey: 15% – 19% (15%)
Wel Overlast PROFIEL CExperts: 3% – 34% (19%)Straatsurvey: 27% – 27% (27%) PROFIEL DExperts: 39% – 51% (48%) Straatsurvey: 31% – 46% (46%)


Wanneer per cel de gemiddelde percentages van de experts vergeleken worden met de (op de brede definitie gebaseerde) percentages uit de straatsurvey, is de overeenkomst in de cellen A, B en D frappant. Het totale beeld dat ontstaat wanneer de beelden van de verschillende beroepsgroepen worden samengevoegd, wijkt dus niet extreem af van het beeld dat uit de straatsurvey naar voren komt. Dit kan betekenen dat de geselecteerde experts de straatpopulatie goed in beeld hebben.
Ten slotte
De belangrijkste uitkomst van de studie naar profielen is dat in de beeldvorming rond dak- en thuislozen experts van de politie menen dat de meeste dak- en thuislozen met psychische problemen overlast veroorzaken terwijl de experts van MO en GGZ denken dat de meeste dak- en thuislozen die overlast veroorzaken psychische problemen hebben. Deze beeldvorming hangt deels samen met de aard van het werk van de experts. Het totale beeld dat ontstaat wanneer de beelden van de verschillende beroepsgroepen worden samengevoegd, wijkt echter niet extreem af van het beeld dat uit de straatsurvey naar voren komt. Een risico van de verschillen in beeldvorming is dat de hulpverlening en zorg voor bepaalde groepen dak- en thuislozen niet goed op de problematiek wordt afgestemd en dat daarmee groepen dak- en thuislozen buiten het zorgaanbod vallen. Samenwerking tussen de genoemde beroepsgroepen lijkt een noodzakelijke voorwaarde om te bewerkstelligen dat hulp in de juiste mate bij de juiste personen terecht komt.

Omvangschattingen
Zowel de 95 experts die telefonisch geïnterviewd zijn als de 38 experts die middels de quick-scan benaderd werden is gevraagd een schatting te geven van het aantal dak- en thuislozen in hun gemeente. Uiteindelijk zijn van tachtig gemeenten expertschattingen verzameld. Indien deze gegevens worden geëxtrapoleerd naar de Nederlands situatie komt dat in totaal neer op 15.200 dak- en thuislozen.

Niet geheel verrassend blijken er in de grote steden naar verhouding meer dak- en thuislozen te zijn dan in kleinere gemeenten. In de gemeenten met minder dan 20.000 inwoners is naar schatting slechts 0,1 promille van de bevolking dak- of thuisloos. In de vier grote gemeenten van Nederland ligt dat gemiddeld op 2,8 promille.
Ook blijkt dat het aantal dak- en thuislozen in centrumgemeenten in verhouding hoger is dan in niet-centrumgemeenten. Naar schatting 80 procent van de dak- en thuislozen houden zich op in de 41 centrumgemeenten die Nederland op het moment kent (terwijl 38 procent van de Nederlandse bevolking in deze gemeenten woont).

Bij de interpretatie van deze schatting van 15.200 dak- en thuislozen moet zowel rekening gehouden worden met een mogelijke onderschatting als met een overschatting. Een deel van de vrouwen in de vrouwenopvang en illegaal in Nederland verblijvende dak- en thuislozen zijn niet in de schatting meegenomen. Tegenover deze onderschatting van het aantal dak- en thuislozen staat een mogelijke overschatting omdat de experts veelal geen zicht hebben op het aantal cityhoppers. Hierdoor kunnen dezelfde personen in meerdere gemeentes zijn geteld. Uit de straatsurvey blijkt dat 13% van de dak- en thuislozen wel eens andere gemeenten bezoekt om daar van de aanwezige voorzieningen gebruik te maken.
Vergelijking schattingen ander onderzoek
Wanneer deze expertschatting wordt vergeleken met schattingen uit eerder onderzoek, valt op dat deze over het algemeen hoger liggen.
In een onderzoek van het SGBO/VNG uit 1990 wordt het aantal dak- en thuislozen in Nederland op 20.000 geschat. Zoals de onderzoekers destijds zelf al concludeerden betrof het hier vermoedelijk een overschatting. Enerzijds omdat bij de extrapolatie van de gegevens geen zicht bestond op de aantallen dak- en thuislozen in gemeenten met minder dan 20.000 inwoners. Anderzijds is bij de totstandkoming van de schatting per gemeente uitgegaan van de groep residentiële daklozen die daar op een bepaald moment verbleven en is los daarvan een schatting gemaakt van de op straat levende dak- en thuislozen. Hierdoor ontstaat vrijwel zeker een overschatting, omdat er sprake kan zijn van overlap. De oorzaken van de verschillen tussen de schatting van het SGBO-onderzoek (20.000) en van de experts uit het CVO-onderzoek (15.200) zijn voor een belangrijk terug te voeren op de hogere schatting van het SGBO van de aantallen in Amsterdam en de gemeenten met minder dan 20.000 inwoners.
In het PLOTT-onderzoek (Heydendael e.a., 1990) komt men eveneens tot een hogere schatting van het aantal dak- en thuislozen in Nederland, namelijk 30.000 in 1989 en een prognose van 53.000 voor het jaar 2000. Ook deze schatting is een overschatting omdat bij de extrapolatie naar de landelijke situatie vermoedelijk (vermoedelijk omdat geen exacte gegevens bekend zijn) is uitgegaan van een te hoge schatting van het aantal dak- en thuislozen in kleine gemeenten. Bovendien was de prognose van 53.000 daklozen in 2000 uitsluitend gebaseerd op een verwachte toename van het aantal alleenstaanden in Nederland.
Ook het Leger des Heils komt jaarlijks met een schatting van het aantal dak- en thuislozen in Nederland. In 2001 zouden dat er 66.000 zijn. Probleem bij deze schatting is enerzijds dat niet van alle mensen die het Leger des Heils heeft geholpen duidelijk is of zij wel tot dak- en thuislozen gerekend kunnen worden. Anderzijds is de extrapolatie van de registratie gegevens naar een landelijke schatting niet geheel transparant. Uitgangspunt is het gegeven dat het Leger des Heils in 2001 aan ruim 22.000 unieke (gecorrigeerd voor dubbeltellingen) personen hulp heeft geboden. Er wordt vervolgens van uitgegaan dat het Leger des Heils een kwart van de opvangcapaciteit voor dak- en thuislozen genereert en dat er daarmee 88.000 dak- en thuislozen in Nederland zijn opgevangen. Omdat naar schatting eveneens een kwart van de mensen die het Leger des Heils opvangt ook hulp bij een collega voorziening krijgt (en dus dubbel geteld zijn) komen zij tot de schatting van 66.000 dak- en thuislozen.
Uit gegevens van de Federatie Opvang blijkt dat in 2001 ongeveer 25.000 mensen gebruik hebben gemaakt van de aanwezige opvangvoorzieningen in Nederland. Het betreft 10.612 voornamelijk vrouwen en kinderen die in 2001 van de Vrouwenopvang (Blijf van mijn lijf, FIOM) gebruik hebben gemaakt en 14.262 personen die van de overige maatschappelijke opvangvoorzieningen gebruik maakten. Volgens deze gegevens bevonden zich in 2001 ruim 5.200 dak- en thuislozen in de daarvoor bedoelde zorg.
Verklaring voor verschillen
Vergelijking met andere onderzoeken en registraties levert een tweetal verklaringen op voor de – vergeleken met de expertschatting uit het CVO-onderzoek – hogere schattingen van het aantal dak- en thuislozen in Nederland.
Op de eerste plaats hebben de verschillen met de definiëring van de doelgroep te maken. Het is niet bij alle onderzoeken helder van welke groepen mensen in de samenleving een omvangschatting wordt gegeven. Zijn het dak- en thuislozen, kwetsbare mensen of verkommerden en verloederden? Ook is het niet altijd duidelijk of bepaalde (sub)groepen in de schatting worden betrokken. Gaat het bijvoorbeeld uitsluitend om feitelijk daklozen, of ook om residentiële daklozen of marginaal gehuisvesten, om illegalen of de vrouwen en kinderen in de Vrouwenopvang? Over het algemeen geldt dat hoe ruimer de definitie is opgevat, hoe hoger de schatting uitkomt.
Op de tweede plaats kunnen de hogere aantallen dak- en thuislozen die in andere onderzoeken zijn gevonden worden verklaard door de extrapolatie van de verzamelde gegevens naar een landelijke omvangschatting. Het komt voor dat de schattingen voor kleinere gemeenten gebaseerd worden op de gevonden aantallen in grotere gemeenten (Heydendael, SGBO/VNG). In een aantal gevallen (prognose Heydendael en Leger des Heils) kunnen ook vraagtekens worden gezet bij de gehanteerde (deductieve) extrapolatietechnieken.

Ten slotte
Vergelijking van de resultaten van de straatsurvey met die van de telefonische enquête, leidt tot de conclusie dat dak- en thuislozen moeilijk als groep te typeren zijn: oorzaken en problemen zijn zeer divers, het begrip dak- en thuisloosheid biedt veel ruimte voor interpretatie.
Het meest opvallend in de dataverzameling van de straatsurvey is de grote diversiteit in de problematiek van dak- en thuislozen: iedere dak- en thuisloze heeft een eigen verhaal, eigen problemen en sores. De oorzaken van dakloosheid zijn zeer divers. Iedereen vindt een eigen oplossing om de nacht door te brengen, om aan geld en eten te komen en om het leven een bepaalde invulling te geven. Iedereen heeft ook zijn eigen toekomstplannen en ideeën. Soms zijn die vol hoop en goede moed, soms somber, triest en uitzichtloos. Veel respondenten willen echter iets heel simpels en basaals: een dak boven hun hoofd.
Ook de interviews met de experts geven een gevarieerd beeld: zij erkennen zonder uitzondering de verscheidenheid in de problematiek van de dak- en thuisloze. Zonder uitzondering worstelen zij met de machteloosheid in het bieden van een oplossing aan deze groep. Er is geen eenduidigheid in de oplossingsrichting van de experts: bij dak- en thuislozen waar ggz-problematiek of middelengebruik een manifest probleem is, wordt gedacht aan hulpverlening vanuit ggz, meer in het algemeen wordt gedacht aan opvang als eerste noodzaak. Maar welke dakloze door welke instelling opgevangen zou moeten worden blijft onduidelijk. De kerntakendiscussie tussen politie en ggz weerspiegelt zich in de interviews.
Subjectieve overlast die burgers ervaren speelt een belangrijke rol in de reactie en dus in de werkdruk van de wijkagenten, objectieve overlast speelt bij ongeveer de helft van de straatpopulatie dak- en thuislozen een rol.
Hoewel tachtig procent van de dak- en thuislozen die met psychische problemen kampen bij een ggz-instelling in behandeling zijn geweest, heeft die behandeling blijkbaar niet geleid tot het effect dat men een dak en een thuis heeft verworven.
Zonder het nut van de ggz-behandelingen te betwijfelen, betekent dit dat er een manco is in de (organisatie van) de hulpverlening, dan wel in de nazorg. Volgens de geïnterviewde experts is slechts een klein deel van de dak- en thuislozen vrijwillig zwerver. Het overgrote deel heeft volgens hen wel behoefte aan een oplossing, maar weet de wegen niet in instellingenland of is door voorgaande contacten teleurgesteld.
Deze gedachte wordt gesterkt door het gegeven dat de helft van de dak- en thuislozen die in contact zijn geweest met RIBW’s, Riaggs en psychiatrisch ziekenhuizen niet tevreden is over het contact met deze instellingen. Verschillende experts zijn van mening dat er wellicht wel voldoende hulp en opvang aanwezig is, maar dat de organisatie van de hulpverlening en opvang oplossing van de problemen van dak- en thuislozen belemmert. Dit hangt volgens hen samen met de categorisering van de zorg: daklozen zijn vaak niet in staat alle contacten met instanties te onderhouden die nodig zijn voor opvang, hulp en financiën. De door de experts genoemde groepen zorgmijders, stakkers of zorgvuldige zorgzoekers zijn hier wellicht slachtoffer van. De verwarring over de begrippen dakloosheid, thuisloosheid, ggz en overlast onder de experts is medeoorzaak van de tot op heden moeizaam op gang gekomen samenwerkingsverbanden.
Concluderend kan gesteld worden dat heldere definiëring van begrippen, afbakening van groepen en vooral ook een gedeelde opvatting over de interpretatie van de begrippen en groepen van groot belang is als het gaat om het verkrijgen van inzicht in of genereren van oplossingen voor de problematiek van dak- en thuislozen.
Zwerven in de 21e eeuw
Waar in de serie van vroeger het contact tussen Swiebertje en Bromsnor werd neergezet als een olijk kat- en muisspel, is de bromsnor van 2002 veeleer realistisch en bezorgd. Hoewel de term Swiebertje onder medewerkers van de politie nog in zwang is om de ‘vrijwillige zwervers’ of ‘clochards’ te beschrijven, zien zij dak- en thuislozen niet als onopgevoede flierefluiters. Uit dit onderzoek blijkt dat het in de serie geschetste kat- en muisspelletje nog steeds de werkelijkheid van alledag is, zij het dan dat het spel de dorpse gemoedelijkheid die de vroegere TV-serie uitstraalt al lang heeft verloren.
Bestrijden van de veelal lichte overtredingen van dak- en thuislozen is voor de politie een substituut geworden voor bieden van constructieve hulp. Een nacht in de cel houdt een dakloze slechts even van de straat, werkt draaideurcriminaliteit in de hand en verslechtert het imago van dak- en thuislozen.
Samenwerking tussen de genoemde beroepsgroepen lijkt een noodzakelijke voorwaarde om de verschillen in beeldvorming tussen de bij dak- en thuislozen betrokken hulpverleners, medewerkers van politie en gemeente te overbruggen en te bewerkstelligen dat hulp in de juiste mate bij de juiste personen terecht komt. Voordat dergelijke samenwerkingsverbanden kans van slagen hebben, is het noodzakelijk de definitieverwarring die op de werkvloeren van de verschillende instellingen speelt over begrippen als dak- en thuislozen, overlast en ggz-problematiek, op te lossen.

Hoofddoel van dit onderzoek was een beschrijving te geven van de problematiek van dak- en thuislozen in Nederland, op basis van profielen en omvangschattingen. Dit is uiteraard slechts een kleine stap naar de oplossing van dak- en thuisloosheid.
De onderzoekers hopen dat dit onderzoek een realistisch beeld geeft van de problematiek en een aanzet zal vormen tot het oplossen van de begripsverwarring en zal leiden tot de verdere ontwikkeling van effectieve hulpverlening en zorg op maat voor dak- en thuislozen.

 

back to top